Voor de eerste keer ga je met je hond naar de schapen. Uiteraard heb je de hond aan
de lijn. Je
probeert zo dicht bij de schapen te komen dat ze nog net niet weglopen. Je legt de hond af, je doet
de lijn los en je gaat tussen de hond en de schapen in staan precies op die lijn, met aan jouw
linkerkant de schapen en aan jouw rechterkant de hond. Je staat dus op de denkbeeldige lijn,
gedacht vanaf de hond naar het midden van de schapen. Nu doe je twee à drie stappen terug.
Daardoor ontstaat er een situatie waardoor de hond gemakkelijk zijn keuze zal maken om aan de
rechterkant om de schapen heen te gaan. Als je de hond aan de linkerkant om de schapen heen
wilt laten gaan, dan ga je op de lijn staan met jouw rechterkant naar de schapen en jouw linkerkant
naar de hond. Je doet weer 2 á 3 stappen achteruit en de hond zal een sterke neiging hebben om
links om de schapen te gaan. Deze keus van de hond wordt dus bepaald door de positie van de
handler ten opzichte van de schapen.
In feite is het dus niet de hond die bepaalt, het is de handler die bepaalt
welke kant de
hond opgaat. Probeer je daar steeds goed bewust van te zijn!
Als je de juiste situatie hebt gecreëerd, zet je de hond aan om naar de schapen te
gaan. Dat doe
je door te sissen, een geluid als sssshh, sssshh, sssshh, sssshh. Door dit geluid krijgen veel
honden een onbedwingbare lust om te gaan rennen naar de schapen. Door jouw positie zal de hond
of linksom of naar rechts om de schapen gaan. Zodra de hond gaat, probeer je zodanig mee te
lopen, dat je als het ware tussen de hond en de schapen terecht komt. De hond loopt nu in een
grotere boog om de schapen heen en jij loopt in een kleinere boog ongeveer tegen de schapen aan.
De hond zal misschien proberen een schaap te pakken, maar dat lukt niet omdat jij daar steeds
loopt. Na één of twee rondjes geef je het commando “af”. De hond gaat liggen. Je wacht enkele
momenten, je maakt weer sisgeluiden, je let goed op welke kant de hond neemt en je zorgt ervoor
dat je weer meeloopt tussen de schapen en de hond in. Dit herhaal je enkele keren, waarbij je
probeert de hond zowel linksom als naar rechts rond te krijgen. Daarna lijn je de hond aan en
neemt hem mee het weiland uit. De hond heeft zich heel goed laten zien en de baas kan heel
tevreden zijn. Het geeft echter nog geen garantie dat deze hond een top werkhond zal worden.
Als de eerste keer bij de schapen verloopt zoals hierboven omschreven, is dat wel
een ideale
situatie. De hond heeft zo op het eerste gezicht heel veel eigenschappen goed en je hebt een
prachtig uitgangspunt om de training in alle rust op te bouwen. Van belang is, dat je steeds
observeert wat de hond vanzelf goed doet, want daar moet je in de training op aansluiten. Als het
goed is, heb je je dat observeren al eigen gemaakt tijdens de opvoeding in het eerste levensjaar.
Dat observeren is daarom zo belangrijk, omdat elke hond anders is. Er is gewoon geen hond gelijk.
Elke hond heeft zijn eigen aanpak nodig. De basis van de training, de trainingsaanpak heeft wel
dezelfde principes, maar in de praktijk moet die aanpak naar elke individuele hond worden
aangepast aan de hond, waarmee je op dat moment bezig bent. Meestal gaat de eerste keer bij de
schapen niet zo soepel.
|
In het begin kun je het beste hulp zoeken bij een ervaren handler met ervaren
schapen. Zon handler
weet hoe hij het handigste de hond om de schapen heen kan leiden.
|
Soms heeft een hond zo’n eerste keer weinig of geen interesse in de schapen. Ook al
jaag je de
schapen op en probeer je uit alle macht de hond mee rond de schapen te krijgen, dan kan het nog
gebeuren dat de hond bij jou blijft lopen, omdat hij denkt dat je dat blijkbaar wilt. Of de hond snuffelt
maar wat rond en dat is het dan. De hond heeft zich in zo’n geval niet goed laten zien en de baas
is ronduit teleurgesteld. Het wil echter nog niet zeggen, dat deze hond geen werkhond zal worden.
Tussen deze twee uitersten zit nog een heel scala aan mogelijkheden. Soms wil een
hond persé
recht op het koppel af, waardoor de schapen alle kanten opvliegen en vervolgens één schaap de
hond achter zich aan krijgt. Soms wil een hond wel heel graag, maar blijft steeds aan dezelfde kant
als de handler en wil hij er niet omheen.
Je hebt niet alleen met de hond te maken. Ook de schapen zijn erg belangrijk. Schapen
die geen
hond gewend zijn, kunnen ontzettend in paniek raken als er zomaar een hond op ze af komt
rennen. In zo’n geval kiest de hond vaak ook nog één schaap uit om die te pakken. Het schaap
vlucht ongeveer voor zijn leven, knalt door het raster, raakt in een sloot, of blijft door stress voor
dood op de grond liggen en de hond keert terug voor een volgend slachtoffer. De eerste keer dat ik
mijn eerste Bordercollie bij de schapen liet, waren er drie elektrische afrasteringnetten vernield en
acht schapen lagen geveld in het weiland voordat ik mijn hond weer bij me had.
Schapen kunnen ook te mak zijn. Bijvoorbeeld als ze gewend zijn aan een hond die niks
doet, die
gewoon met de baas meekomt wanneer die de schapen voert, die een beetje snuffelt en misschien
een brokje mee opeet. Als er dan plotseling een Bordercollie bij zulke schapen komt, die moet
leren op te treden als veedrijver, zullen zulke schapen niet de reactie tonen, die nodig is om een
hond er mee te kunnen laten werken. Als zo’n hond ze echt te na komt, dan kunnen ze in verzet
komen, met de voorpoten op de grond gaan stampen of ze stoten de hond ondersteboven. In ieder
geval krijg je met een hond die alles nog moet leren zo’n situatie vrijwel zeker niet onder controle.
Als je met je hond voor de eerste keer naar de schapen gaat, is het belangrijk om
als handler ook
te anticiperen op wat de hond doet. Je legt de hond af, zo dicht mogelijk bij de schapen, je gaat
zelf bij de schapen staan en je hitst de hond op (= sssshh, sssshh). Op het moment dat de hond
komt, kun jij inschatten wat de hond gaat doen. Daarop is jouw handelen gericht. Jij moet zorgen
dat de hond gaat lopen en wel om de schapen heen. Komt de hond recht op de schapen af, dan
loop jij zodanig op de hond in, en tegelijk bij de schapen langs, dat de hond iets opzij gaat om jou
er bij tussen te laten lopen. De hond moet dus aan de buitenkant komen te lopen, dan jij en
binnenin staan of lopen de schapen. Met de stok kun je de hond eventueel aanraken om hem iets
naar buiten te krijgen in de goede richting. Zorg er wel voor dat de hond geen angst krijgt voor de
stok. Vaak zie je op het moment dat jij de hond één kant op wilt leiden, dat hij dan toch plotseling
voor de andere kant kiest. Dat moet je niet erg vinden, maar gewoon accepteren. Je gaat zelf dan
ook meteen die kant mee op. Jij anticipeert voorlopig even op de hond! Daardoor vallen als het ware
de stukjes van de puzzel in de kop van de hond veel sneller op zijn plaats. Het betekent wel dat je
heel snel moet reageren op wat je bij de hond waarneemt. Want jij moet er in het begin immers
voor zorgen dat je steeds op de goede plek staat of loopt. En dat is tussen de hond en de schapen
in. Ongeacht welke kant de hond opgaat. Na een paar rondjes geef je het commando “af”. Je blijft
zelf ook meteen staan. Je wacht enkele seconden en je zet de hond weer aan. Je let goed op
welke kant hij op gaat en je past je weer aan.
Vaak komt het voor dat je de hond hebt afgelegd en terwijl jij richting schapen loopt
om jouw positie
in te nemen, dat de hond al begint te rennen. In dat geval laat je hem gaan en je gaat zelf ook
meteen. Maar jij probeert wel om tussen de hond en de schapen in te komen, net zoals hierboven
is omschreven. Als je op zo’n moment gehoorzaamheid eist, dus de hond toch af wilt laten liggen,
dan maak je daar een punt van op een volkomen verkeerd moment. Bedenk dat je in de
aanvangssituatie zit van het drijven van vee. Het kwartje moet kunnen vallen zonder frustraties of
ander onhandig gedoe van de baas. Na de derde of de vierde sessie mag je weer meer echte
gehoorzaamheid verwachten. Dus als er iets mis gaat, probeer je in redelijkheid door te gaan totdat
de hond om de schapen heen cirkelt. Iets wat niet goed gaat, probeer je, gaande de oefening, om
te buigen in de gewenste situatie zodat de hond er als het ware een goed gevoel aan over kan
houden. Dan houd je het positief naar de hond toe en de volgende keer zal de hond proberen in die
juiste situatie terecht te komen.
Probeer de eerste keer goed op te letten of de hond zowel over links als
over rechts wil
cirkelen. Als hij dat nog niet wil, is het niet erg, maar je moet het wel onthouden. De kant
die hij niet op wil of minder goed op wil, moet je op een wat later tijdstip extra oefenen.
Als je de hond enige keren hebt laten liggen of staan en weer opnieuw hebt aangezet
tot cirkelen,
het liefst dus zowel over links als over rechts, dan komt het moment om te stoppen. Het is
belangrijk om de hond niet uit te putten. Zo’n eerste keer is al erg inspannend (voor jezelf ook
trouwens!) en de hond moet energie over houden. Het mag absoluut geen uitputtingsslag worden.
Je geeft de hond het “af” commando als hij tegenover jou is, dus op de 12-uurs positie. Je loopt
rustig naar hem toe en je lijnt hem aan. Je geeft hem een schouderklopje of je zegt kort dat hij
braaf is. Dus niet overdreven belonen. Je doet alsof de hele sessie de gewoonste zaak van de
wereld is. Daarna neem je hem mee het weiland uit.
|
Een uitgeputte hond leert niets meer. Laat een
trainingssessie niet te lang duren!
|
Soms komt het voor dat de hond niet op de 12-uurs positie wil blijven liggen. Zodra
jij je verplaatst,
gaat hij ook weer. Dat is best lastig, want je kunt de hond niet bij je krijgen. De hond reageert op
jouw beweging, maar niet meer op jouw commando. Daar moet je geen strijdpunt van maken op dit
moment. De positieve ervaring moet voor de hond overheersend zijn. Als hij jouw komst niet af kan
wachten, dan manoeuvreer je de schapen met de hond daarachter naar de afrastering of naar een
hoek. Er komt dan een moment dat de hond de schapen fixeert of er omheen wil, waardoor jij hem
bij zijn halsband kunt pakken. Dat mag niet op een ruwe manier, want dan gaat het in jouw nadeel
werken. Dit vraagt om een stukje handigheid van de handler. De hond moet het gevoel eraan
overhouden dat hij prettig met jou heeft gewerkt, en wel onder jouw deskundige leiding. Na een
aantal trainingen houdt dit gedrag vanzelf op.
Als je de hond één keer bij de schapen hebt gebracht, kun je het beste meteen de volgende
dag
verder gaan met de training. De ervaringen die de hond heeft opgedaan zitten nog vers in zijn
geheugen en hij heeft het een beetje kunnen laten bezinken. Je begint weer op precies dezelfde
manier. Met de hond aangelijnd het weiland in. De schapen zo dicht naderen, dat ze nog net niet
weglopen. De hond afleggen. De lijn afdoen. De rechte lijn van de hond naar het midden van de
schapen bepalen. Halverwege tussen de hond en de schapen op die lijn gaan staan. Drie passen
terug doen. Sssshh, sssshh-geluiden maken. Ervoor zorgen dat je met de hond meekomt en
tussen de hond en de schapen op de cirkel terechtkomt. Nou moet je opletten of de hond het
geleerde van gisteren toepast. Als je ziet dat de hond zelf wil cirkelen, of zelf achter de schapen
terecht wil komen, dan loop je niet meer zover mee als gisteren. Dan loop jij zelf misschien nog
één cirkel of een halve cirkel. Het gaat erom dat de hond begrijpt wat jij wilt. Als jij een halve cirkel
loopt, en de hond cirkelt verder mooi door, dan ga jij langzamer lopen tot je stil kunt staan, terwijl
jij
wel sssshh zegt om de hond te laten weten dat hij door moet gaan. Goed beschouwd geeft de
hond signalen af naar jou en jij geeft signalen af naar de hond. Op deze manier heeft de hond vrij
snel door wanneer jij hem om de schapen heen wilt hebben.
Opnieuw kun je het belang zien van de plek waar jij als handler staat ten opzichte
van de schapen.
Voor je de hond naar de schapen laat gaan, bepaal je immers nauwkeurig jouw positie door drie
stappen achteruit te lopen. Daardoor gaat de hond linksom of naar rechts achter de schapen. Dat
principe pas je nu ook toe bij het cirkelen. Alleen loop je nu geen drie passen achteruit.
Veronderstel dat jij een positie hebt gecreëerd, waarbij de schapen mooi bij elkaar staan, de hond
bevindt zich op 12 uur en jij bevindt je op 6 uur. Als jij nu (drie stappen) naar rechts gaat lopen,
terwijl jij sssshh zegt, zul je zien dat de hond ook (naar rechts) gaat lopen, omdat hij zijn positie
ten opzichte van jou en de schapen in evenwicht wil houden. Als jij dan sssshh blijft zeggen moet
je kijken of de hond daarop blijft bewegen (cirkelen) ook als jij stil blijft staan. Waarschijnlijk
hoef je
maar één stap te doen om hem in beweging te krijgen, omdat hij zijn positie wil behouden. Jij
koppelt dus jouw beweging aan jouw geluid (sssshh), waarbij jij jouw beweging zo snel mogelijk
kleiner maakt, totdat alleen het geluid (=commando) overblijft. Dat is de manier waarop jij de hond
iets kunt leren. Hij zal nu snel door hebben wat jij van hem wilt, op voorwaarde dat jij consequent
jouw signalen toepast. Op dezelfde manier laat je de hond ook linksom lopen. Let erop dat er geen
vast patroon ontstaat van bijvoorbeeld steeds twee keer naar rechts gevolgd door twee keer
linksom. De hond onthoudt dit soort patronen gemakkelijk en dat is lastig als je de commando’s
“linksom” en “naar rechts” gaat aanleren.
|
Als jij niet consequent bent in jouw signalen, kan de hond je niet begrijpen.
Hij handelt dan wel,
omdat er beweging is, omdat zijn instinct hem iets ingeeft of om wat voor reden dan ook. Maar er is
een fout leerproces en jij staat zelf buiten spel.
|
Kort samengevat:
- Zorg voor een koppel schapen dat
gewend is om met een hond te werken.
- Altijd met de hond aangelijnd richting
schapen lopen, totdat de processen volledig zijn
geautomatiseerd.
- De hond afleggen (of laten staan)
voordat de schapen weglopen.
- Jouw positie op de rechte lijn tussen
hond en schapen bepalen. (Handler in het begin dichter
bij de schapen, later dichter bij de hond.)
- Drie stappen achterwaarts.
- Hond aanzetten (=sssshh).
- Meelopen en tussen de hond en de
schapen blijven (dit zo snel mogelijk afbouwen).
Veel voorkomende beginsituaties:
- De hond wil niet achter de schapen,
maar blijft aan jouw kant.
- De hond wil wel achter de schapen,
maar wil niet cirkelen.
- De hond stormt recht op de schapen
af.
- De hond is bijterig.
- De hond laat zich niet weer aanlijnen.
De hond wil niet achter de schapen, maar blijft aan jouw kant.
Dat doet zich voor als de hond sterk op de baas is gericht. Je kunt duidelijk zien, dat hij aandacht
voor de schapen heeft, hij begint ook wel de beweging om er omheen te gaan, maar breekt deze
beweging meteen weer af, als hij ziet dat de handler blijft staan. Het gevolg is meestal dat de
schapen ervandoor gaan en dan moet je de hele opstelling van voren af aan beginnen. Dat doe je
natuurlijk ook, maar je zorgt er daarna voor, dat je mee blijft lopen tussen de hond en de schapen
in. Je zorgt ervoor dat je, haast ongemerkt (voor de hond althans), iets achterblijft bij de hond. Dat
iets achterblijven hoeft maar heel miniem te zijn, maar die afstand ga je langzaamaan vergroten. Na
twee of drie rondjes om de schapen laat je de hond liggen , je wacht enkele seconden, je geeft
sssshh, sssshh en je gaat weer rond. Je zorgt ervoor dat je enkele keren linksom
en naar rechts
afwisselt, en dan stop je. Je lijnt de hond aan, je beloont de hond gewoon, dus niet te uitbundig en
je neemt hem mee het weiland uit. De volgende sessie probeer je weer net iets meer achter te
blijven dan de vorige keer, maar je houdt het weer heel kort, maar wel fel (gedreven). Zodra je merkt
dat de hond iets verder gaat, laat je hem liggen, jij stapt op de twaalf uurs positie en je gaat meteen
achteruitlopen, waardoor de schapen met jou meekomen en op dat moment sta je de hond toe te
gaan lopen achter de schapen aan. Goed opletten, want als de hond instormt, geef je meteen weer
af, terwijl jij doorloopt met de schapen sta je de hond weer toe met toe maar.
Laat hem niet te
ver achter blijven bij de schapen. Op dit punt van de training is het belangrijk dat de hond het gevoel
krijgt dat hij steeds erbij moet zijn. Dat maakt hem alerter op de baas, want die staat
hem
immers toe om te doen wat hij zo graag wil.
Een andere mogelijkheid om de hond achter de schapen te krijgen is de hond te laten
liggen of
staan vanaf de plek waar je samen staat. Daarna ga jij je verplaatsen naar de voorkant van de
schapen, terwijl je de hond laat wachten. Dan heb je dus ook de situatie geschapen die jij wenst,
namelijk jij op zes uur en de hond op 12 uur. Van daaruit ga jij lopen, de schapen komen achter jou
aan en je geeft de hond het commando “toe maar”. Dan zal de hond meestal meteen proberen om
weer aan jouw kant te komen, het begint met flanken en dat doet hij zover door tot hij weer bij jou
is. Dat moet je voorkomen door ook meteen het “af” commando te geven terwijl jij blijft doorlopen.
Daarna geef je weer “toe maar” , enz. Zoveel te minder vaak jij het de hond laat lukken om weer aan
jouw kant te komen, zoveel te sneller zal hij door hebben(accepteren) dat zijn plek achter de
schapen is.
Te lang laten wachten in het begin is voor de hond een signaal dat hij zelf
het initiatief
maar over moet gaan nemen. Daarmee staat ook meteen het leiderschap op het spel.
Bovendien verliezen de hond en de schapen hún noodzakelijke contact als de hond te
ver achterblijft.
De hond wil wel achter de schapen, maar wil niet cirkelen.
Vaak heb je in dit geval te maken met een hond die wat terughoudend is. Geen hond die zomaar
overal op in vliegt. In feite is er geen probleem. De hond wil immers achter de schapen. Als jij gaat
lopen drijft de hond de schapen achter jou aan. Zon hond gebruikt vanaf het begin zijn verstand
en
verbruikt niet onnodig zijn energie. Dit type hond moet je niet lastig vallen met eindeloos herhalen
van oefeningen. Dat gaat hij snel saai vinden en dan verdwijnt zijn gedrevenheid. Als de hond de
schapen rustig achter je aandrijft moet je hem ook niet af commanderen als dat niet nodig
is. Dit
type hond drijft vaak ook met enige terughoudendheid en is vanuit zijn aard al voorzichtig om de
schapen niet voorbij de handler te drijven. Ondanks deze terughoudendheid kan de hond toch ook
erg snel op de juiste plek zijn om een schaap terecht te wijzen. Belangrijk voor de trainer is om de
hond goed in te schatten en hem zoveel mogelijk in zijn waarde te laten. De moeilijkheid hierbij is
natuurlijk dat het leiderschap wel bij de handler moet blijven. Een juist inzicht in het karakter van
de
hond is bepalend voor het uiteindelijke resultaat. Bij een voorzichtige hond kan de handler zich vaak
minder fouten permitteren dan bij een onstuimige hond.
Als het leerproces goed op gang is, kunnen zonder problemen de commandos linksom en naar
rechts worden aangeleerd. Als er zich later omstandigheden voordoen, waardoor de hond toch
moet cirkelen dan lukt dit door bijvoorbeeld het commando naar rechts een aantal keren te
herhalen (=doorsturen).
De hond stormt recht op de schapen af.
De hond ziet kans, ondanks het feit dat jij erbij staat om hem om de schapen heen te krijgen, om
één schaap apart te krijgen en daar achteraan te jagen tot hij het schaap kwijt is. Vaak zie
je
daarna dat de hond terugkomt en opnieuw één schaap los krijgt van het koppel, daar weer
achteraan jaagt, enz. Voor veel mensen is dit een schrikbeeld, waardoor het extra spannend wordt
om de eerste keer de hond los bij de schapen te laten. Toch is het mijns inziens niet goed om
schapen bij voorbaat in een rondje gaas te zetten en daar de hond omheen te laten rennen.
Ik
denk dat de hond daar niks van leert. Voordat je met een hond überhaupt met schapen wilt
beginnen, moet het leiderschap zijn vastgesteld. De eigenaar of de trainer moet de hond al laten
merken wie het voor het zeggen heeft, voordat deze ook maar aan een schaap geroken heeft. De
eigenaar heeft daarvoor tijdens de opvoeding alle gelegenheid gehad. De trainer laat het aan de
hond merken in de paar minuten voordat hij met de hond naar de schapen gaat. Dat laten merken
gebeurt meer of minder subtiel, afhankelijk van hond en handler. Het is iets tussen hond
en
handler. Het is voldoende dat de hond het beseft, of het zo snel
mogelijk gaat beseffen. Het
leiderschap is overigens niet alleen van belang bij een hond die het liefst recht op de schapen
afstormt, het is altijd van belang. En het leiderschap kan op ieder moment dat je met de hond bezig
bent opnieuw moeten worden bevestigd. Dit in gedachten houdend, gaan we terug naar de situatie
dat de schapen klaarstaan en jij tussen de hond en de schapen staat om alles in goede banen te
leiden.
Op het moment dat de hond voor de eerste keer vertrekt naar de schapen, weet de handler nog niet
wat de hond gaat doen. Maar de handler moet er rekening mee houden dat de hond recht in de
schapen wil gaan. Op het allerlaatste moment kan zon hond nog van richting veranderen. De kunst
is nu dat de handler juist op dat moment met de hond meegaat en aan de goede kant tussen de
schapen en de hond in komt te lopen. Het is handig als de handler beschikt over een stok van
ongeveer anderhalve meter en een lange zweep zoals die gebruikt wordt bij het longeren van een
paard. Als de handler goed op alles is voorbereid, is de kans groot dat het de hond niet lukt om een
schaap af te splitsen. Sterker, het mág de hond eigenlijk niet lukken, want iedere keer dat het
de
hond wel lukt, heeft hij succes. Als het de hond drie of vier keer gelukt om achter één schaap
aan
te jagen is dat het begin van automatisme. Dan wordt het al moeilijker om hem nog in het goede
spoor te krijgen. Het moet dus eigenlijk meteen de eerste keer goed gaan en de handler kan dit
bereiken door op het juiste moment op de goede plaats te staan en de hond eventueel met de stok
iets naar buiten te duwen. De handler moet ervoor zorgen dat er doorgelopen wordt zowel
door hemzelf als door de hond. De beweging moet doorgaan. Ook als de hond plotseling
de andere kant opgaat. De handler móét er voor zorgen dat hij op hetzelfde moment mee
gaat de
andere kant op. Hiermee wordt het leiderschap van de handler versterkt. Vanuit zijn instinct zal de
hond op dit moment meer respect krijgen voor de handler. Voor de hond lijkt het of de handler
alwetend is. Als de handler kans ziet de bewegingen door te laten gaan, linksom en naar rechts en
de hond aan de buitenkant weet te houden met behulp van stok of lange zweep, snapt de hond
sneller de bedoeling. Het gebruik van de lange zweep kan hier ook uitkomst bieden. De lange
zweep is flexibel en geeft wat gemakkelijker mee en desnoods kun je het eind van de zweep
gebruiken om de hond mee aan te raken. Daarmee verleng jij je arm nog eens extra en je kunt de
hond ook verder naar buiten krijgen. Denk er wel om dat het uiteinde van de zweep veel harder aan
kan komen dan jouw bedoeling is. De hond mag er absoluut niet kopschuw van worden. De zweep
moet alleen gebruikt worden als het echt nodig is en met oordeel door de handler gebruikt kan
worden. Als je op deze manier even bezig bent, raakt de hond snel uitgeput. Dan wil de hond wel
graag even liggen op het commando af. Daar maak je dan handig gebruik van. Je laat de hond
even liggen, maar niet te lang. Je zet weer in en dan zul je merken dat de hond vrij snel jouw
signalen wil volgen, omdat hij in jou zijn meerdere herkent. Soms is een hond zo gedreven, dat hij
jouw signalen niet opvangt. Dan kan de lange zweep ook helpen door er een zoevend geluid mee te
maken of door de zweep een knalletje te laten geven. De hond schrikt van het plotselinge geluid en
juist op dat moment geef jij het gewenste commando. Je laat hem bijvoorbeeld heel even liggen en
dan jaag je de hond meteen weer op om rond de schapen te gaan. Als dat zich een paar keer heeft
herhaald, krijgt de hond door dat jij de signalen geeft, waardoor het werken juist interessanter
wordt. Af en toe vergeet de hond dit weer, maar een geluid met de zweep zet hem dan snel op het
goede spoor.
Let wel op het gedrag van de hond als je de zweep gebruikt. Niet iedere hond
kan er
tegen en je moet de hardheid van het geluid, en het gebruik van de zweep in het
algemeen, aanpassen aan wat je hond hebben kan.
Ook op dit punt geldt heel duidelijk dat je altijd moet blijven observeren, maar je
moet ook dingen
uit durven proberen. Denk erom dat je de zweep alleen gebruikt als het echt nodig is en dat je van
dat gebruik zelf niet een gewoonte maakt.
Na drie tot acht sessies moet er een situatie zijn ontstaan dat je de hond kunt laten
liggen op zo’n
tien meter van de schapen, waarna jij jouw positie in kunt nemen ten opzichte van de hond en de
schapen. Op jouw signaal moet de hond in ieder geval achter de schapen belanden of er omheen
willen lopen. Waarschijnlijk moet je nog een beetje inlopen of meelopen, maar het begin moet er nu
zijn. De hond wil bewegen en als jij achteruit gaat lopen, moeten de schapen met jou meekomen,
omdat de hond ze opdrijft.
De hond is bijterig.
Soms heb je een hond die steeds in de schapen wil bijten. Het kan zijn dat zon hond er één
schaap uitkiest die vastpakt en niet weer los laat. Het kan ook zijn dat de hond, als hij achter de
schapen is, onophoudelijk schapen in achterpoten of staarten bijt. Daar moet je natuurlijk wel wat
aan doen, want voor de schapen is het erg vervelend en voor de hond moet het niet een onnodig
aanwensel worden. De eerste keren als je met zon hond werkt, probeer je met de stok te
voorkomen dat de hond zo dicht bij de schapen komt, dat hij kan bijten. Dat zal je niet altijd
lukken, maar je moet er dan des te meer op letten dat jij tussen de schapen en de hond in komt te
lopen. Zon hond die graag wil bijten zal ook proberen snel van richting te veranderen, daar moet
je
extra alert op zijn zodat je meteen ook de andere kant op kunt gaan. Je moet de hond in elk geval
niet afstraffen voor het bijten. En je moet de hond zeker niet afleren om te bijten. Je mag het in het
begin vervelend vinden dat de hond bijt, maar later heb je er gemak van. Een hond die wil bijten
heeft namelijk gemakkelijker meer overwicht op de schapen. Het bijten wordt in de loop van de tijd
meestal minder. Een hond die in het begin behoorlijk bijterig is, zal later meestal zijn tanden alleen
maar gebruiken als het echt nodig is. Je moet aan het te graag bijten in de beginfase niet teveel
aandacht besteden. Het omgekeerde geldt ook: een hond die aarzelend wil bijten, mag je
best een beetje aanmoedigen, zodat hij merkt dat het is toegestaan.
Een enkele keer gebeurt het dat een hond erg insnijdt om bij de schapen te komen en als hij er
dan is, bijt hij in het spronggewricht van dat achterste schaap. Het gevolg is dat het schaap kreupel
loopt, maar het gevolg kan ook zijn dat zon schaap zijn achterpoot breekt. Vooral omdat zon
hond
dit kunstje flikt met grote snelheid. Als handler moet je er voor zorgen, dat je op tijd inloopt.
Eventueel kun je gebruik maken van de lange zweep op dezelfde manier zoals hierboven is
omschreven. Na een paar sessies moet de hond op de gewenste afstand zijn en dan lost het
probleem zich meestal snel op, omdat de commandos dan normaal weer worden opgevolgd.
De hond laat zich niet weer aanlijnen.
Soms is een hond zo gedreven dat je hem niet weer aan de lijn kunt krijgen na de training. Het kan
best zijn dat de hond normaal heel goed naar je luistert, misschien heeft hij zelfs tijdens het
werken met de schapen al heel goed naar je geluisterd, maar hij kan gewoon niet stoppen. Daar
moet je niet moeilijk over doen. Het kwartje is nog maar net gevallen en in de kop van de
hond
gaat van alles om. Het is gewoon zaak om de hond bij je in de buurt te krijgen zodat je hem kunt
pakken. Dat vastpakken mag beslist niet op een hardhandige manier gebeuren. Ook moet je er
voor oppassen dat je niet een te onverwachtse beweging maakt, waardoor de hond erg schrikt. Het
komt er nu op aan hoe handig, hoe creatief jijzelf bent. Soms gaat een hond heel dicht bij de
schapen staan om ze te fixeren en dan kun je hem pakken en de riem aandoen. Soms moet je
ermee naar het raster, waardoor er een situatie ontstaat dat je de hond toch kunt pakken. Het kan
ook zijn dat het lukt in een hoek.
Maar wat er ook gebeurt, bedenk dat jij in ieder geval een hond hebt die heel graag wil
werken. Je moet zelf rustig en geduldig blijven, vooral niet boos worden, de tijd nemen
en geen commandos geven die toch niet worden opgevolgd.
Je beweegt je rustig met de schapen om een situatie te creëren die jij wenst en houd altijd
voor
ogen dat jij er echt als leider uit moet komen. Als je de hond (eindelijk) hebt, lijn je hem aan, je
beloont hem een beetje en neemt hem aangelijnd mee het weiland uit.
Slotopmerkingen
Hou er rekenschap mee dat geen hond gelijk is. Bovenstaand zijn de meest voorkomende
gedragsmogelijkheden, maar er zijn natuurlijk altijd weer uitzonderingen waar je op dat moment op
een goede manier moet proberen op in te spelen. Het belangrijkste is eigenlijk dat je zelf rustig en
beheerst bent, goed kijkt hoe de hond reageert en hoe de schapen reageren en vanuit die situatie
bedenk jij hoe je op dit geheel het handigst inspeelt. Wees niet te bang om iets uit te proberen en
het is het verstandigste om de eerste keren met behulp van een ervaren handler te werk te gaan.
Je moet er oog voor proberen te krijgen wanneer jouw hond toe is aan iets
nieuws. Een
Bordercollie vindt het saai om steeds hetzelfde te doen. Naarmate je meer oefeningen
beheerst, kun je gemakkelijker afwisselen.