Als de hond twee of drie keer met goed gevolg bij de schapen is geweest, dan zal de
neiging al
ontstaan om de schapen bij de handler te brengen, ook als je wat verder van de schapen afblijft dan
die vorige keren. Je loopt het weiland in op dezelfde manier en je let op je hond hoe die reageert.
Zodra hij laat merken dat hij naar de schapen wil en de afstand is z’n 30 à 50 meter, dan laat je de
hond gaan. Je kijkt goed hoe de hond het doet, want daarop ga jij je training baseren. Vaak is zo’n
outrun in het begin heel onstuimig, soms brengt de hond eerst twee schapen, haalt er dan weer
één bij en daarna de rest van het koppel. Denk erom dat je niet onbeheerst “af” begint te roepen,
maar dat jij oplet hoe de hond het doet en zonodig hem helpt om rond te blijven lopen zodat de
schapen uiteindelijk bij jou terecht komen. Meteen loop je daarna een lijn, het liefst 50 meter of
verder om de hond te laten ervaren dat na een outrun de schapen een eind gedreven moeten
worden in de richting van de handler. Daarna laat je de schapen staan, je lijnt de hond aan, neemt
hem mee terug naar het beginpunt en je bereidt opnieuw net zo’n outrun voor. Wees je bewust
vanaf welke kant jij de hond laat vertrekkken (rechts of links). Als de hond er eerst een puinhoop
van maakte, ga je hem nu een beetje meehelpen. Je legt de hond af, geeft een rukje aan de riem
om hem duidelijk te maken dat jij het leiderschap hebt, je maakt de riem los en loopt zelf een
eindje richting schapen, terwijl je er goed op let dat de hond blijft liggen. Je bepaalt welke kant
jij de
hond op wilt laten gaan, daarbij houd je in gedachten de lijn hond – schapen, je zorgt dus dat jij
“goed” komt te staan (zie ook 1: om de schapen heen cirkelen), je zegt “ssshh, ssshh”, de hond
vertrekt en vervolgens zorg je ervoor dat de hond achter de schapen belandt. Daarna zet
je weer
je looplijn in. Een outrun moet je niet te vaak oefenen. Twee of drie keer achterelkaar een outrun is
vaak genoeg. Als het de eerste keer meteen goed gaat, doe je een tweede keer de outrun een
stukje verder op in de training. In het begin ga je bij de outrun wat dichter in de buurt van de
schapen staan, maar zodra het kan ga je dichter bij de hond staan. Het einddoel is natuurlijk dat
de hond vanaf jouw rechter- of linkerkant vertrekt.
Belangrijk bij het ontwikkelen van de outrun is weer het observeren wat je hond doet
en daarna
bepalen wat jij doet om hem in de gewenste richting te krijgen. Langzamerhand probeer je de
afstand te vergroten, steeds proberen de grens op te zoeken tot hoever je kunt gaan.